Ruwe bolster, blanke pit

Na een paar drukke weken en gezellige feestdagen, hadden we zaterdagavond als gezin een heerlijke avond. Voor het eerst gingen we in eigen stad uit eten met het hele gezin. Onze jongste is 3 en tot nu toe hielden we het als hij er bij was vaak bij een snelle hap. Of we regelden een oppas en gingen lekker met z’n tweetjes uit eten. Nu dus met z’n vieren. Sushi werd het. De grote favoriet bij onze kinderen en wij zeggen er trouwens ook zeker geen nee tegen.
We genoten. Het was een gezellige avond, het eten was lekker en de kinderen gedroegen zich keurig. We kletsten over vanalles en nog wat, lachten wat af en fietsten nadien weer voldaan richting huis. Ik glom zowat van mijn fiets af, zo trots was ik. Op ons gezin, zo samen, genietend van het leven. Heerlijk!

Eenmaal thuis, met een kop thee op de bank, bekroop me de angst. Die angst van alles kwijt te kunnen raken. Want als het allemaal zo goed gaat nu, na al die ellende van afgelopen jaar, dan móet er toch iets misgaan? Dit kán toch niet zo blijven? Noem me een pessimist, maar ik voel op zo’n moment oprechte angst om dat te verliezen wat me zo gelukkig maakt. Ik ben nou eenmaal niet bepaald een zondagskind. Maar ik sprak mezelf streng toe en besloot het los te laten. Die therapeut heeft zijn geld toch opgeleverd;-)

Het werd zondag. Ik stond op en zag dat ik een bericht had van mijn moeder. Haar broertje, mijn oom, was met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Het ging niet goed, ze gingen opereren. Met die info moesten we het op dat moment doen.

Na een hele lange middag zonder nieuws, belde mijn moeder rond etenstijd met het bericht dat het niet goed ging. Details zal ik je besparen, maar iets in mij riep dat ik naar mijn ouders moest. Ik wil er zijn op zo’n moment. Om ze te steunen. Om praktische hulp te bieden.
Mijn zus dacht er hetzelfde over, dus ik pikte haar op en we reden naar ons ouderlijk huis. De lege oprit zei ons genoeg en na wat doelloze rondjes in het dorp, besloten we dan maar richting ziekenhuis te rijden. Gewoon. Om er te zijn. Iets te doen. Of niet.

We belden met familie, pikten onderweg een neef op en eenmaal in het ziekenhuis, stonden we elkaar een beetje aan te staren. Wat nu? Wat doe je op zo’n moment? Je wil je niet opdringen, maar er wel zijn als dat nodig is. We besloten te wachten in de centrale hal.

Al vrij snel daarna, appte mijn moeder dat we maar naar het ziekenhuis moesten komen en de familiekamer konden opzoeken. Dan weet je genoeg. We waren er al, dus in een split second veranderde ons “we wachten hier en we zien wel”-bezoek in een bezoek van het soort dat je niet wilt afleggen. Met lood in mijn schoenen liep ik de afdeling op, met mijn zus voorop en hand in hand met mijn neef. Een grote groep familie en vrienden van mijn oom stond op de gang. Er was nog weinig nieuws. Het ging slecht. Dat was in ieder geval zeker.

We mochten heel even bij hem. Daar lag hij. Mijn grote, eigenwijze maar oh zo gevoelige en lieve oom. De oom waarmee ik mijn eerste biertjes dronk, waarmee ik kon feesten, discussiëren, maar ook kon janken om het verlies van opa en oma. Of om een mooi liedje in de kroeg. Of omdat we elkaar gewoon zo lief vonden.
Een oom die ik tegenkwam als ik ging stappen. En bang als we waren dat we iets misten, bleven we dan hangen tot sluitingstijd. Hij vond het begrip #FOMO (Fear Of Missing Out) al uit voordat iemand er ooit van gehoord had. Laat staan er een hashtag aan wijdde.

Hij was de oom die menig vriendin van me de stuipen op het lijf joeg. Wie was die “ruwe bolster” toch, die Pleun in de kroeg om haar nek vloog?. Terwijl diezelfde ruwe bolster de personificatie is van “blanke pit”. Een zacht ei. Dat is het. Een heel koppig zacht ei. Dat dan weer wel. En zeker niet altijd de makkelijkste voor vrouw en kinderen. Maar in de kern een gouden kerel.

Ik stond daar aan zijn bed en heb gekeken. Naar hem. Alle slangen. Toeters en bellen. Alle artsen rondom zijn bed. Druk bezig zijn leven te redden. Ik heb hem toegesproken. “Je kunt dit”, “Kom op jongen, vechten”. Helpt het? Geen idee. Ik kon door de tranen heen niets anders uitbrengen. De hele avond en een deel van de nacht, zat ik met een grote groep in het ziekenhuis. Op de IC. Wachtend op wat komen ging.

Hij ging achteruit. Hij werd ter plekke geopereerd, naar de OK vervoeren zou hij sowieso niet overleven. Slopende uren waren het. Totdat de artsen kwamen vertellen dat de ingreep geslaagd was. Geen enkele garantie, de toestand was nog hartstikke kritiek, maar een eerste hobbel was genomen.

Terwijl ik dit schrijf, is het 2 uur ‘s nachts. Ik ben net thuis uit het ziekenhuis. Heb een wijntje ingeschonken om op hem te proosten. En op onze familie. Die ook echt zijn dingen heeft, maar er wel ís op zo’n dag als dit. Zo’n dag waarop we keihard geconfronteerd worden met het feit dat het zomaar ineens gedaan kan zijn.

Mijn lieve, stoere oom. Met de grote snor en het kleine hartje. Kom op koppige kerel! Altijd tegen de stroom in, dan nú ook! Laat ze een poepie ruiken! Want ik, en met mij zovelen, kunnen je nog helemaal niet missen. We moeten samen nog zo vaak op het leven proosten en de kroegen sluiten….

Leave a comment